Stotteren, broddelen en spreekvrees

Elk kind maakt normale onvloeiendheden. Bij de meeste kinderen verdwijnen deze onvloeiendheden naarmate ze ouder worden. Bij sommige kinderen persisteren deze moeilijkheden. Dit kan zich uiteindelijk uiten in stotteren, broddelen en/of spreekvrees. 

Stotteren

Er bestaan verschillende definities van stotteren. Eenvoudig samengevat is stotteren een stoornis in de vloeiendheid van de spraak. Stotteren kan zich uiten in verschillende onderdelen.

Kerngedragingen: de spreker maakt onvrijwillige herhalingen van klanken/lettergrepen/woorden, verlengingen van klanken en blokkades van de ademstroom of stemgeving in de spraak. Deze kerngedragingen doen zich meestal voor aan het begin van de zin en op de beginklanken van woorden.

Gevoelens en gedachten: tijdens het stotteren en spreken kunnen er bepaalde gevoelens en gedachten optreden. Voorbeelden zijn gevoelens van angst, schaamte, verdriet, woede, … Sprekers bouwen ideeën op over hun eigen spreekvaardigheid en trachten hier op in te grijpen. Op dat moment kunnen we spreken van een ontwikkelend stotterprobleem. Hulp is dan ten zeerste aangewezen.

Secundaire gedragingen: dit zijn geassocieerde gedragingen of bijbewegingen die de spreker maakt tijdens het stotteren (vb. oogknipperen, hoofdbewegingen, stopwoordjes, kleine tussenvoegsels, tongprotrusie, tikken met de hand,…).

De oorzaak van deze secundaire gedragingen ligt niet zo ver. Vlak voor of tijdens een stottermoment kunnen er een heleboel gedachten en gevoelens door het hoofd van de spreker gaan. De spreker probeert iets te doen om te voorkomen dat hij stottert of om snel weer verder te kunnen praten. Bewust of onbewust gebruikt hij een ‘trukje’. Dat hulpmiddeltje helpt de spreker – soms toevallig – om uit de stotter te geraken en vormt een beloning. Door deze aanmoediging ontwikkelen sommige mensen die stotteren een heleboel verschillende – vaak automatische – hulpmiddeltjes, die ze na verloop van tijd soms even storend vinden als het stotteren zelf.

Stotteren begint meestal voor de leeftijd van 9 jaar. De meeste kinderen die stotteren, beginnen onvloeiendheden te vertonen tussen 3 en 4 jaar. Elk kind maakt normale onvloeiendheden. Wanneer er echter stottermomenten voorkomen (zoals hierboven beschreven), is verder onderzoek aangewezen.

Broddelen

Broddelen is een stoornis in de vloeiendheid van het spreken waarbij de spreker niet in staat is zijn tempo aan te passen aan de linguïstische of motorische eisen van het moment (Van Zaalen, 2009).
We spreken van broddelen als er veel versprekingen optreden op diverse momenten en in meerdere spreeksituaties (Broddelen, een (on)begrepen stoornis,. Y. Van Zaalen).

Kerngedragingen van broddelen zijn:

  • een hoog en/of onregematig articulatietempo
  • een hogere frequentie van normale onvloeiendheden
  • onjuist woord- of zinsstructuren
  • een onjuist gebruik van pauzes (te veel, te weinig of op onlogische plaatsen)

Broddelen kan voorkomen in verschillende gradaties. Sommige mensen vertonen slechts lichte kenmerken van broddelen en ondervinden er zelf weinig last van. In sommige gevallen zijn deze personen er zich niet eens bewust van. Zij krijgen door hun omgeving (vrienden, collega’s, familie, …) de vraag om wat duidelijker te spreken. Wanneer een persoon ernstig broddelt, kan deze ook problemen ondervinden met het maken van juiste zinsstructuren en het vertellen van verhalen. Ook moeilijkheden met oogcontact en beurtneming in een gesprek komen bij een ernstiger broddelprobleem voor.

Wanneer iemand zich bij een logopediste aanmeldt voor broddelen, zal deze persoon samen met de logopediste alle verschillende aspecten van de spraak en taal bekijken. In de behandeling zal de focus liggen op de elementen die het sterkste bijdragen tot de slechte spraakverstaanbaarheid.

Spreekvrees

Iemand met spreekvrees heeft te kampen met een hinderlijke angst of overmatige spanning om te spreken. Deze kan zich op verschillende manieren uiten. Innerlijk gaat spreekvrees gepaard met negatieve gedachten over zichzelf, angst voor bepaalde spreeksituaties, piekeren, tobben, … Uiterlijk zie je kenmerken als zwetende handen, trillen, droge mond. Deze kenmerken resulteren soms in een bepaald gedrag. Men krijgt bevende stem, gaat onduidelijk articuleren, stil spreken en bepaalde situaties vermijden. Spreekvrees kan leiden tot problemen in het sociaal en professioneel functioneren.

Gelijkaardige kenmerken komen ook bij kinderen voor. Hier spreken we van selectief mutisme.

Kerngedragingen van selectief mutisme zijn:

  • Het kind spreekt niet in specifieke situaties, zoals de school of andere gebeurtenissen.
  • Het kan wel normaal spreken in situaties waarin het zich comfortabel voelt (vb. thuis).
  • Het onvermogen om te spreken in bepaalde situaties is hinderlijk voor het shcoolse en sociale functioneren.
  • Het mutisme bestaat minstens een maand.
  • Het mutisme wordt niet veroorzaakt door een andere communicatiestoornis (vb. stotteren) of het maakt geen deel uit van een ontwikkelingsstoornis (vb autismespectrumstoornis).