Stotteren, broddelen en selectief mutisme

Elk kind maakt normale onvloeiendheden. Bij de meeste kinderen verdwijnen deze onvloeiendheden naarmate ze ouder worden. Bij sommige kinderen persisteren deze moeilijkheden. Dit kan zich uiteindelijk uiten in stotteren, broddelen en/of selectief mutisme. 

Stotteren

Je kind weet wat hij of zij wil zeggen, maar bij het spreken worden klanken of woorden herhaald, worden klanken verlengd of zijn er
blokkeringen. Dan is er mogelijks sprake van stotteren. Kinderen kunnen ook vechten (bv. ogen toeknijpen) of vluchten (bv. zeggen dat ze het niet weten of synoniemen gebruiken). Wat vaak nog belangrijker is, zijn de gedachten en gevoelens van het kind dat stottert. Wat je kan zien en horen als luisteraar, is vaak maar een deel van het probleem of het ‘topje van de ijsberg’. Ook de omgeving speelt hierbij een grote rol.

Heeft het kind of de omgeving moeilijkheden met het stotteren of probeert het kind om niet te stotteren? Dan zien we stotteren als een stoornis, omdat dit een negatieve invloed kan hebben op het communiceren en de levenskwaliteit.

Stotteren ontstaat meestal in de kindertijd. Bij veel kinderen evolueert het stotteren spontaan met het ouder worden. Omdat we niet kunnen voorspellen bij welke kinderen dit het geval is en omdat de kans dus bestaat dat je kind wel meer moeilijkheden zal ervaren, contacteer je bij bezorgdheid best zo vroeg mogelijk een logopedist. Bovendien is behandeling op jonge leeftijd het meest effectief.

De logopedist gaat samen met de ouders op zoek naar de factoren die invloed kunnen hebben op het stotteren en naar een behandeling op maat van je kind. Omdat elk verhaal uniek is, zal ook elke  behandeling dit zijn.

Bron: Stotteren – Van theorie naar praktijk (Bezemer et al., 2010)


Broddelen

Krijgt je kind vaak de opmerking dat hij of zij onduidelijk spreekt en heb je de indruk dat dit het gevolg is van snel spreken? Dan kan er sprake zijn van broddelen. Bij broddelen lukt het niet om je spreektempo aan te passen, waardoor je minder verstaanbaar bent. In de lagere school en tijdens de puberteit neemt het spreektempo toe. Vaak krijgen mensen pas last van het broddelen in de puberteit of de vroege volwassenheid. 

Broddelen kan ook gepaard gaan met andere kenmerken, zoals

  • een foutief gebruik van spreekpauzes
  • articulatiefouten
  • verward overkomen
  • frustratie
  • een grote spreekdrang
  • weinig toonhoogteveranderingen of een monotone spraak
  • schrijfproblemen gelijkaardig aan de spreekproblemen
  • onvoldoende zelfwaarneming
  • normale onvloeiendheden in de spraak die lijken op woordvindingsmoeilijkheden

De logopedist onderzoekt alle spraak- en taalaspecten en hun impact op je kind. Op basis daarvan stel je samen met de logopedist een individueel behandelplan op om de spraakverstaanbaarheid te verhogen.

Bron: Broddelen – Een (on)begrepen stoornis (Van Zaalen & Winkelman, 2014)


Selectief mutisme

Je kind kan praten, maar doet dit niet of zeer weinig in bepaalde situaties. Dan bestaat de kans dat het om selectief mutisme gaat.

Selectief mutisme is een angststoornis waarbij iemand bang is om te spreken. Spraak- en taalproblemen, de stille periode bij meertaligheid, stotteren, sociale angst en verlegenheid kunnen het niet-praten beïnvloeden, maar zijn niet de oorzaak van selectief mutisme.

Kenmerken van selectief mutisme worden vaak zichtbaar van zodra kinderen starten met opvang of school. Het niet-praten valt op in situaties waarin van hen verwacht wordt dat ze spreken. Selectief mutisme ontwikkelt zich doordat het kind onbewust een koppeling maakt tussen angst en spreken. Deze koppeling kan sterker worden bij het ouder worden, maar soms verdwijnt de angst spontaan.

Het is effectief om selectief mutisme op jonge leeftijd te behandelen, omdat het dan minder lastig is om het patroon van niet-spreken te doorbreken. Samen met een logopedist kan je je kind helpen om beter om te gaan met de angst om te spreken in bepaalde situaties.

Bron: Breek de stilte (Eustache Sollman, 2019)